Werkgeversaansprakelijkheid

Werkgeversaansprakelijkheid

Werkgevers­aansprakelijkheid

"Verwarrend genoeg wordt de term 'werkgeversaansprakelijkheid' gebruikt voor twee verschillende kwesties. Er is een groot verschil tussen aansprakelijkheid ten opzichte van derden en voor arbeidsongevallen."

Zowel werkgevers als werknemers stellen mij regelmatig vragen over werkgeversaansprakelijkheid. Ze hebben het dan lang niet altijd over hetzelfde, want verwarrend genoeg wordt de term gebruikt voor twee verschillende kwesties. Ten eerste kan er sprake zijn van aansprakelijkheid van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer voor ongevallen en beroepsziekten. Daarnaast kan er sprake zijn van aansprakelijkheid van werkgevers ten opzichte van anderen (klanten of voorbijgangers) voor een stommiteit van de werknemer. Dat zijn bepaald niet dezelfde dingen, maar helaas worden ze vaak door elkaar gehaald. Hieronder geef ik over beide enige uitleg.

Aansprakelijkheid voor arbeidsongevallen

De werkgever heeft een zorgplicht ten opzichte van zijn werknemers. Hij dient werkruimten en materialen zo in te richten dat er geen ongelukken gebeuren. Sterker nog, hij moet op de werkplek zorgen dat veiligheid en gezondheid van zijn werknemers binnen het bedrijf worden bevorderd. Wat ‘de werkplek’ is, is veel; niet alleen het stukje bouwterrein waar deze werkgever zelf een opdracht uitvoert, maar het gehele bouwterrein. Soms valt woon-werk verkeer er ook onder, en ook de locatie van het bedrijfsuitje kan eronder vallen. Op al die plekken, en ten aanzien van alle materialen daar, alle stoelen, voedingswaren en zelfs de lucht, moet de werkgever zorgen voor veiligheid. Dit omvat zelfs de psychische veiligheid; er moet bescherming worden geboden tegen seksuele intimidatie, agressie en geweld, pesten en hoge werkdruk. Overigens is het geven van instructies niet voldoende. Als deze niet opgevolgd worden, dan moet de werkgever ervoor zorgen dat zijn werknemers dat wel doen. Dat geldt des te meer als werknemers nieuw of onervaren zijn. Er zijn wel grenzen aan deze vorm van aansprakelijkheid. Een vrachtwagenchauffeur die niet aannemelijk kan maken dat hulp bij laden en lossen tot zijn taken behoorde, kan de werkgever niet aansprakelijk stellen als dit mis gaat.

De zorgplicht van de werkgever gaat zo ver, dat bij een eventueel ongeval, er vanuit wordt gegaan dat er niet aan is voldaan. Zodra een werknemer kan aantonen dat letsel werk-gerelateerd is, moet de werkgever vrijwel altijd betalen. Daar zijn eigenlijk maar twee uitzonderingen op. Ten eerste hoeft de werkgever niet te betalen als er werkelijk geen veiligheidsmaatregel te verzinnen is waarmee deze schade voorkomen had kunnen worden. Ten tweede hoeft hij niet te betalen wanneer hij bepaalde maatregelen weliswaar niet genomen heeft, maar hij aannemelijk kan maken dat het ongeval toch wel zou zijn gebeurd, ook als hij die maatregelen wel genomen had. Er is dan immers geen verband meer tussen het feit dat hij geen maatregelen heeft genomen en het ongeval.

De zorgplicht gaat overigens zo ver dat er ook een verplichting is om nazorg te verlenen als het letsel eenmaal is ontstaan: direct iemand naar een arts brengen, en bij traumatische gebeurtenissen direct zorgen voor psychologische begeleiding dus. Zo werd de NS aansprakelijk gesteld door de machinist toen iemand voor de trein was gesprongen; dat had niet voorkomen kunnen worden, stelde de rechter. Maar de schade zou beduidend kleiner zijn geweest als de machinist direct psychisch goed opgevangen was. Denk als werkgever dus nooit dat het kwaad al geschied is: nazorg is essentieel.

Aansprakelijkheid ten opzichte van anderen

De andere vorm, die ook werkgeversaansprakelijkheid wordt genoemd, is de aansprakelijkheid ten opzichte van anderen, klanten of toevallige voorbijgangers, voor fouten van ondergeschikten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de aansprakelijkheid van het dakdekkersbedrijf voor de gasfles die bovenop de auto van de buurman van de klant gevallen is. Om deze vorm van aansprakelijkheid vast te stellen, loopt de rechter een lijstje langs met onderdelen waaraan voldaan moet zijn. Ten eerste moet er sprake zijn van schade. Wie vindt dat de werklui iets fout hebben gedaan (zoals zomaar door het huis lopen), zonder dat iets stuk of verdwenen is, heeft geen claim. Ten tweede moet het gaan om een fout die gemaakt is door een ondergeschikte, een opdrachtnemer of een vertegenwoordiger. De wetgever heeft hier vrij brede formuleringen gebruikt om te zorgen dat de precieze rechtsbetrekking tussen de baas en de uitvoerder niets uitmaakt voor degene die schade heeft. Op deze manier is aansprakelijkheid dus niet uit te sluiten.

​Ten derde moet het gaan om “een fout.” Dat is een schade-veroorzakende stommiteit die ofwel aan iemands schuld, ofwel aan zijn onervarenheid is te wijten. Een baas is dus aansprakelijk voor een ervaren elektriciën die een fout maakt waardoor het huis afbrandt, maar evengoed voor een beginner die uit onwetendheid dezelfde fout maakt. De werkgever is niet aansprakelijk voor dikke pech, waar niets aan te doen was geweest. Hij is dus wel aansprakelijk als een werknemer materiaal laat slingeren waar iemand over struikelt, maar hij is niet aansprakelijk als diezelfde werknemer naar het busje loopt, hij en de klant elkaar net te laat zien, en die klant ongelukkig ten val komt.

Ten vierde moet het gaan om een stommiteit waarover de baas iets te zeggen zou hebben gehad. Als iemand een busje niet op de handrem heeft gezet, dan is de vraag; had de baas zijn ondergeschikte kunnen opdragen om dat wel te doen. Het antwoord is dan ja, en dus is de baas aansprakelijk, ongeacht de vraag of hij daadwerkelijk iets over die handrem heeft gezegd. Hiermee sluit de wetgever uit dat een baas aansprakelijk wordt gesteld voor dingen waar hij geen zeggenschap over heeft. Als zijn ondergeschikte verliefd wordt op de dochter van de klant, die vervolgens haar studie aan de wilgen hangt, dan is de baas niet aansprakelijk voor haar inkomensverlies. Hij heeft immers geen zeggenschap over de vraag bij wie zijn werknemers ware liefde vinden. Het laatste onderdeel is de vraag of de kans op de schade is vergroot door het werk dat wordt verricht. Dat is meestal wel het geval; zonder een bepaalde klus was de werknemer niet op deze locatie geweest.

Er zijn nog een paar uitzonderingen, buiten de hierboven beschrevenen. Als de baas bijvoorbeeld een natuurlijke persoon is (een eenmanszaak of een vennoot), dan is de baas niet aansprakelijk voor dingen waar hij iets over had kunnen zeggen, maar alleen voor dingen waar hij daadwerkelijk opdracht toe gaf. Dat maakt verschil uit bij de rechtsvorm van bijvoorbeeld een schoonmaakbedrijfje. Stel dat de opdracht was om niet de ramen te zemen en er ontstaat schade als een werknemer dat toch doet, dan is een BV hiervoor wel aansprakelijk, maar de eigenaar van een eenmanszaak dus niet. De schade kan de baas soms verhalen (dus niet doorverwijzen, maar eerst zelf degene die schade heeft betalen, en dan dat geld vervolgens terughalen) bij een werknemer, maar alleen de schade die is ontstaan door opzet of bewuste roekeloosheid. De stunter moet zijn baas dus terugbetalen, de kluns niet.

​U zult begrijpen dat dit een zeer brede aansprakelijkheid is. Zo is een werkgever dus ook aansprakelijk voor de diefstal door zijn werknemers. Immers, ze maken een fout, er is schade, de baas had de mogelijkheid om te zeggen: “jullie mogen niet stelen” en bovendien is de kans op schade vergroot doordat de baas deze mensen bij de klant naar binnen heeft gelaten. Een werkgever zal dit onrechtvaardig vinden, maar het voordeel is dat hij zo gedwongen wordt om goed na te denken wat voor werknemers, opdrachtnemers of vertegenwoordigers hij naar zijn klanten stuurt. Bovendien kan de werkgever zichzelf verzekeren en dit verdisconteren in de prijs. Zo wordt het risico op klunzigheid een beetje verdeeld over alle klanten. Verwacht niet teveel van de mogelijkheid om deze vorm van aansprakelijkheid uit te sluiten met algemene voorwaarden. Met name als de klant een consument is, kan dat bijna niet. Zorg daarom vooral voor een goede verzekering.