Consumenten­bescherming voor ondernemers - Villa Henriette Hilversum

Consumentenbescherming voor ondernemers

Consumenten­bescherming voor ondernemers

"Het klinkt vreemd: regels voor consumenten, waar ondernemers zich op kunnen beroepen. Wie de achtergrond kent, vindt het echter logisch."

De consument wordt op de markt beschouwd als de zwakkere partij bij een zakelijke overeenkomst; hij heeft gemiddeld genomen niet zoveel sociale, economische of juridische kennis als de doorsnee ondernemer. Dat brengt mee, dat hij op de markt makkelijker fouten kan maken, en ook dat hij eenvoudiger opgelicht kan worden. Consumenten worden daar economisch voorzichtiger van; net als dat men langzamer gaat rijden, als er scheuren in het wegdek blijken te zitten. Die voorzichtigheid is niet perse goed voor de economie. Als consumenten veel kopen, wetend dat ze juridische bescherming genieten, dan groeit de economie sneller; we gaan harder rijden op een wegdek zonder gevaar. De Europese Unie vond het dan ook een goed idee om, ter stimulering van de economie, consumenten aanzienlijk te beschermen.

Reflexwerking voor kleine ondernemers

Maar wat gezegd werd over consumenten, dat geldt natuurlijk evengoed voor MKB-ers. Ook zij hebben over het algemeen minder juridische, sociale en economische machtsmiddelen. Ook zij kunnen opgelicht worden en ook voor hen geldt, dat het goed is voor de economie als ze harder gaan draaien. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat veel regels van consumentenbescherming van toepassing zijn verklaard op MKB-ers, waarbij geldt; hoe kleiner je bent, hoe meer bescherming je krijgt. De rechter kijkt wel naar de specifieke omstandigheden van het geval en beoordeelt of er zogeheten reflexwerking van de regels zou moeten zijn. Een eenpittende advocaat is weliswaar klein, maar heeft aanzienlijke juridische kennis en zal niet zo snel beschermd worden. Dat is dan weer anders als het een advocaat echtscheidingsrecht betreft, die tegen een acquisitie-fraudeur is aangelopen. Bij consumenten geldt dus dat elke consument er aanspraak op kan doen, bij MKB-ers hangt het af van de onderneming. Bovendien moeten rechters uit zichzelf consumenten beschermen, terwijl MKB-ers om de bescherming moeten vragen.

Reflexwerking bij de Algemene Voorwaarden

Brussel heeft voor consumenten een zogeheten zwarte lijst en een grijze lijst opgesteld. Dit betreft regels die zijn opgenomen in de algemene voorwaarden, waarvan Brussel zegt dat ze nooit eerlijk zijn of meestal niet eerlijk zijn. Alles op de zwarte lijst is bestempeld als oneerlijk. Alles op de grijze lijst wordt vermoed oneerlijk te zijn, maar de ondernemer in kwestie kan proberen het tegendeel te bewijzen. Op de zwarte lijst staat bijvoorbeeld het beding dat de ondernemer iets anders mag leveren dan beloofd is, zonder dat de consument van de koop mag afzien. Op de grijze lijst staat bijvoorbeeld het beding dat de levertijd ongebruikelijk lang mag zijn; de ondernemer die een dergelijke levertijd hanteert, mag dan bewijzen aan de rechter waarom in zijn specifieke geval dit beding niet onredelijk is. Kleine (niet juridisch onderlegde) ondernemers kunnen zich op dezelfde manier als consumenten beroepen op deze zwarte en grijze lijst; ze moeten het expliciet tegen de rechter zeggen, en uitleggen dat ze klein zijn, maar als ze dat gedaan hebben, dan wordt ook direct alles van de zwarte lijst geschrapt, en alles van de grijze lijst wordt makkelijk vernietigbaar.

Indirecte reflexwerking van de Algemene Voorwaarden

Ondernemers die net ietsje groter zijn, staan niet met lege handen, want er is ook een zogeheten indirecte reflexwerking. Daarbij zijn de zwarte en de grijze lijst met oneerlijke bedingen niet rechtstreeks van toepassing. Ze werken via een ander wetsartikel, dat stelt dat oneerlijke bedingen in algemene voorwaarden vernietigd kunnen worden. Het feit dat een beding op de zwarte of grijze lijst staat, is dan een van de aanwijzingen die wordt meegenomen in het besluit van de rechter of in dit specifieke geval het beding oneerlijk is. De middelgrote ondernemer moet dus actief een beroep doen op de bescherming, en bovendien uitleggen waarom dit specifieke beding, in dit specifieke geval oneerlijk is. Grote ondernemingen kunnen hier sowieso geen beroep op doen.

Reflexwerking bij oneerlijke handelspraktijken

Hetzelfde onderscheid tussen directe en indirecte reflexwerking, doet zich voor bij de regels inzake de oneerlijke handelspraktijken. Brussel heeft een lijstje opgesteld van handelspraktijken die, in het geval van consumenten, verondersteld worden oneerlijk te zijn. De ondernemer in kwestie moet dan aantonen dat in dit specifieke geval er geen sprake is van oneerlijkheid, door aan te tonen dat hij zijn klant naar behoren heeft geïnformeerd (wat zelden lukt). Een voorbeeld van een oneerlijke handelspraktijk, is het gratis aanbieden van een product, zonder erbij te vermelden dat er daarna maandelijks vervolgzendingen komen, waar wel voor betaald moet worden. Ook bij kleine ondernemers, zonder relevante kennis van zaken, wordt op basis van de reflexwerking de bewijslast omgedraaid: er wordt verondersteld dat het oneerlijk is en de verkoper moet bewijzen dat hij aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Nota bene, deze directe reflexwerking van de regels over oneerlijke handelspraktijken, daar is nog niet elke rechter van overtuigd. Zorg bij een beroep hierop dan ook voor een advocaat die weet welke literatuur erbij gepakt moet worden.

Indirecte reflexwerking bij oneerlijke handelspraktijken

Ook voor de regels inzake oneerlijke handelspraktijken, geldt dat er (daarnaast) sprake kan zijn van indirecte reflexwerking. Dat betekent dat, als een bepaalde handelspraktijk voor komt op de lijst van oneerlijke handelspraktijken, dit beschouwd wordt als een duidelijke aanwijzing dat iemand onrechtmatig heeft gehandeld. De bewijslast wordt dus niet omgedraaid, maar degene die zich erop beroept, is er toch mee geholpen. Hij moet wel aantonen dat hij onjuist geïnformeerd is, maar krijgt wat meer voordeel van de twijfel. Net als bij de indirecte reflexwerking van de algemene voorwaarden regeling, werkt dit via andere wetsartikelen. Het feit dat iets voorkomt op de lijst van oneerlijke handelspraktijken, kan dus helpen bij een beroep op wanprestatie (je hield je niet aan het contract), of een onrechtmatige daad (je deed iets wat niet mag), of vernietiging van een overeenkomst op grond van dwaling (de overeenkomst bestaat niet meer, want die zou ik zo nooit gesloten hebben als ik alles geweten had).

Kunnen BV’s zich beroepen op de reflexwerking?

Als gezegd, hoe kleiner de MKB-er is, hoe groter de kans is dat hij zich kan beroepen op de reflexwerking. De Hoge Raad heeft het als volgt geformuleerd: “Het moet gaan om een professionele partij die beroeps-of bedrijfsmatig handelt, maar zich materieel niet van een consument onderscheidt. In de uitoefening van beroep of bedrijf sluit hij overeenkomsten die buiten het gebied liggen van zijn eigenlijke professionele activiteit.” Een Turkse groenteboer zonder personeel, krijgt reflexwerking. Een it-bedrijfje met tien man waarschijnlijk niet. Het gaat om de grootte en de kennis. Maar er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen rechtspersonen versus niet-rechtspersonen. Er wordt weleens beweerd dat BV’s geen beroep kunnen doen op de reflexwerking, maar dat is niet waar; een eenmanszaak zal door de Hoge Raad hetzelfde beoordeeld worden als een eenmans-BV. Samengevat; elke echt kleine ondernemer (zonder specifieke kennis, zoals een eenmanszaak van iemand die bovendien niet bijzonder goed Nederland spreekt) zal zich kunnen beroepen op de directe reflexwerking, met de gunstige bewijslastverdeling, door aan de rechter voor te leggen dat hij klein is en geen verstand van zaken heeft. Een iets grotere onderneming zal zich kunnen beroepen op de indirecte reflexwerking, zonder de gunstige bewijslastverdeling, door daarnaast gedetailleerd aan te geven waarom dit beding in de algemene voorwaarden, of deze handelspraktijk in het specifieke geval inderdaad oneerlijk is.